Milieu

Het houden van dieren heeft effect op het milieu. De productie van veevoer bijvoorbeeld leidt tot uitstoot van broeikasgassen, zeker wanneer dit afkomstig is van soja uit Zuid-Amerika. De mest van de dieren veroorzaakt stank en ammoniakuitstoot, soms ook buiten de stal. Als de afzet van de mest niet goed is geregeld kunnen de mineralen, zoals stikstof en fosfaat uitspoelen naar het milieu.

Boeren kunnen ook een positieve bijdrage leveren aan hun omgeving door landschap en natuur te beheren en ervoor te zorgen dat de biodiversiteit op hun bedrijf toeneemt. Van elke Meat Your Own boer kun je zien welke maatregelen hij neemt om het milieu te ontzien of de natuur te beheren.

Veevoer levert een grote bijdrage aan de milieu-impact van vlees

Ook dieren moeten eten en dus is er veevoer nodig. Sommige boeren verbouwen hun eigen veevoer in de vorm van gras, maïs of graan. Of ze voeden hun dieren met bijproducten uit de voedingsmiddelenindustrie, zoals aardappelschillen, bierbostel of bietenpulp. Niet alle dieren in Nederland kunnen met behulp van lokaal geproduceerd veevoer worden gevoed. Veel veevoer is daarom afkomstig uit het buitenland. Om alle dieren in de veehouderij te kunnen voeden, is veel land nodig voor het verbouwen van gewassen die bestemd zijn als veevoer, zoals granen en soja. En natuurlijk moeten deze planten ook weer (kunst)mest en water krijgen om te kunnen groeien. Veevoer draagt daarom in belangrijke mate bij aan de 'footprint' van vlees. Deze voetafdruk van een product symboliseert de hoeveelheid grondstoffen die nodig is om het product te maken. Hoe groter deze afdruk is, hoe meer water, land en energie er nodig is voor de productie. 

Een maat voor de milieubelasting van vlees is de hoeveelheid voer die nodig is voor de productie van 1 kg vlees. Deze zogenaamde voederconversie is in de gangbare landbouwpraktijk bijvoorbeeld lager dan in de biologische landbouwpraktijk. Eisen op milieugebied (zo snel mogelijk groeien) kunnen in dit geval strijdig zijn met eisen op het gebied van dierenwelzijn (langzamer groeien).

Vervuiling door nitraat, ammoniak en fosfaat uit de mest

Dieren produceren mest. Als deze mest op het eigen bedrijf kan worden gebruikt om veevoer te verbouwen, dan is de kringloop grotendeels gesloten en is de uitstoot naar het milieu beperkt. Maar vaak produceren boeren meer mest dan ze op het eigen land kwijt kunnen. Dan moet de mest worden afgevoerd naar een akkerbouwer of worden verwerkt tot een meststof voor de export. Bij de verwerking van mest vindt vaak productie plaats van biogas, die dient als energiebron. Runderen en schapen dragen extra bij aan de uitstoot van broeikasgassen omdat ze ook nog methaan uitstoten.

Met name dieren die op stal staan produceren de nodige ammoniak. Grote veehouderijen zijn verplicht om luchtwassers te installeren om te voorkomen dat de ammoniak in het milieu komt. Die filteren de lucht voordat die de stal verlaat. Andere veehouders passen de inrichting van de stal aan om ammoniakuitstoot tegen te gaan, bijvoorbeeld door een varkenstoilet te installeren. Daardoor blijft de lucht in de stal ook schoner en dat is prettiger voor de dieren en de boer. 

Verschillen tussen vleessoorten

Verschillende vleessoorten hebben een verschillende footprint. Zo zijn er voor de productie van een kilo rundvlees veel meer grondstoffen nodig dan voor een kilo kipfilet. Ook de uitstoot van broeikasgassen is per diersoort verschillend. Wil je hier meer over weten? Kijk dan eens op de website van Milieu Centraal